Reuzen van de jazz...  Coleman Hawkins  Coleman Hawkins, vader van de tenorsax | Bijzondere opnamen | Mooie verzamel-cd's | Alle albums van Coleman Hawkins  
 

Coleman Hawkins, vader van de tenorsax

Jong talent

Waar veel van de jazz-pioniers niet op een formele muziekstudie konden bogen, begon Coleman Randolph Hawkins al op 5 jarige leeftijd met een pianostudie en wat later tevens met de cello. Al heel jong ging zijn interesse echter uit naar de saxofoon, hoewel die omstreeks 1910 (hijzelf werd in 1904 in St Joseph, Missouri, geboren) buiten de militaire orkesten nog maar weinig populariteit genoot. Op zijn 9de verjaardag kreeg hij een C-melody saxofoon. Hoewel wel iets kleiner dan een tenor toch nog een flink instrument voor een kind.

Het bleek echter een schot in de roos en de jonge Coleman studeerde elk vrij moment. Zijn muzikale kennis en vermogen om muziek te lezen was toen al groot. Dat viel ook anderen op en zo gebeurde het dat hij al op 12-jarige leeftijd voor een eerste engagement aantrad. Zijn kans kwam toen hij 16 was en werd gevraagd door de toen razend populaire zangeres Mamie Smith om tot haar vaste (show)band toe te treden. Zijn moeder weigerde in eerste instantie om toestemming te geven, maar stemde er twee jaar later tenslotte toch mee in.

In deze band speelde hij nog zowel cello als saxofoon, maar hij werd in de eerste standplaats Chicago (dat na St Louis en New Orleans de belangrijkste jazz-stad zou gaan worden) toch vooral bekend als de 'Saxophone Boy'. De band speelde nog geen echte, swingende jazz, evenmin als Mamie een echte blueszangeres was. De hele act viel meer onder het hoofdstuk veaudeville, waarbij hij soms als act achterover liggend op de grond speelde. In de zomer van 1922 verruilde de toen 18-jarige muzikant zijn C-melody voor een tenorsax. In 1923 trouwde hij en verliet ook Mamie's show.

De Fletcher Henderson periode

Al na een jaar had Hawkins al het werk dat hij zich wenste en hij speelde in zijn 2e standplaats New York moeiteloos met de meest uiteenlopende groepen mee. Bovendien was hij een charmeur en viel hij uitstekend bij de dames; een kenmerk dat hij, samen met een goede keus in kleding, lang met zich mee zou dragen. De groei naar muzikale volwassenheid voltrok zich vooral nadat hij was opgemerkt door de eveneens nog jonge bandleider en componist Fletcher Henderson, die behalve veel engagementen ook de nodige plaatopnamen wist binnen te halen.

Zoals gebruikelijk bij deze bands bespeelden de rietblazers verschillende instrumenten en geinspireerd door pionier Adrian Rollini bespeelde Coleman gedurende korte tijd ook de gigantische bassaxofoon en dubbelde hij daarnaast regelmatig op bariton en klarinet. Zijn professionalisme strekte zich tevens uit naar de financiële kant en zo stond hij altijd op een goede gage en dat bij vooruitbetaling. Hij ging daarin zelfs zo ver dat hij bij één gelegenheid meteen extra betaling verlangde toen er extra bühnewerk van hem werd verlangd.

Hawkins en Armstrong

Een gelukkige omstandigheid was de komst van Louis Armstrong in de band van Henderson, al bleven de twee solisten zeer afstandelijk ten opzichte van elkaar. Trompetist Cootie Williams verklaarde zelfs dat Hawkins ronduit een hekel aan Armstrong had. Daarin kan hebben meegespeeld dat de sterstatus van Hawkins met Armstrong's komst wel wat verbleekte. Of er echt sprake was van directe beinvloeding is een punt van veel discussie, maar zeker is wel dat het geniale trompetspel van Armstrong voor Hawkins een geweldige stimulans moet hebben betekend.

Zoals uit zijn houding tegenover Armstrong ook al bleek, had Hawkins een sterk ontwikkeld superioriteitsgevoel, waarin hij zich bovendien snel uitgedaagd voelde. Dat moesten ook heel wat tenoristen ervaren wanneer hij na een optreden een of andere club bezocht en de ongelukkigen in een sax battle van de bühne weg wist te blazen. Dat werkte echter niet altijd, want in een eerder stadium had hijzelf een keer het loodje gelegd tegen een onvermoeibare blazende en frazerende Sidney Bechet.

Rijpend meesterschap

Zijn leescapaciteiten waren buitengewoon en anders dan sommigen van zijn collega's had hij geen enkele moeite met de afwijkende toonsoorten, waarin de arrangementen van Henderson nog wel eens waren geschreven. Zoals hij het zelf zei: hoeveel kruizen of mollen je moet spelen maakt niets uit, al die noten zitten immers op die toeter. Vaak ook speelde hij een volkomen onbekend stuk of arrangement direct van papier en improviseerde er vervolgens op.

Een knap staaltje van zijn kunnen werd omstreeks 1934 in Engeland geleverd toen zijn medemuzikanten van het orkest van Jack Hylton tijdens een plaspauze samenspanden om stiekem de toonsoort van 'It's the Talk of the Town' een halve toon te verhogen, van F tot Fis. De daarmee onverwacht geconfronteerde Hawkins vertrok echter geen spier en blies een perfecte geimproviseerde solo... Het was door dit soort zaken dat hij allerwegen groot respect afdwong.

De tenorsax was in de handen van Hawkins uitgegroeid tot een sterk jazz-instrument dat weinig meer te maken had met z'n verleden in marsbands en circussen. Op de jonge leeftijd van 22 jaar keek men al tegen hem op als de meester, die men evenwel ook graag zou onttronen. Niemand echter evenaarde zijn volume, dat het onversterkt opnam tegen de hele band. Zijn fraseringen waren vindingrijk en voegden een nieuw idoom toe. Pas veel later zou hij zich ook als een superieur bluesvertolker manifesteren.

Inmiddels was de Henderson band een verzamelplaats voor talentvolle muzikanten geworden, met na het vertrek van Armstrong de trompetisten Rex Stewart, Tommy Ladnier, de klarinetist Buster Bailey, arrangeur en saxofonist Don Redman, pianist Thomas 'Fats' Waller en trombonist Jimmy Harrison. Waar hij tegenover zijn medemusici over het algemeen gereserveerd en afstandelijk bleef, was de laatste zo'n beetje de enige waarmee Hawkins tot een soort vriendschap kwam, .

Er volgde echter nog een uitzondering in de persoon van trombonist Jack Teagarden die vanaf het allereerste moment naadloos aansloot bij het duo Hawkins/Harrison en vaak praatte en speelde men tot diep in de nacht in het appartement van Hawkins. Ook na afloop van een optreden speelde Hawkins vaak nog urenlang of zelfs de hele nacht lang in jam sessions met andere muzikanten. Zijn echtgenote, Gertrude, was weliswaar zeer meegaand, maar het is de vraag of ze elkaar vaak zagen en in 1935 werd het huwelijk ontbonden.

Zijn saxofoons

Hawkins verdiende uitstekend en ontwikkelde een flamboyante leefstijl, met dure kleding en luxe auto's. Des te merkwaardiger was zijn ambivalente houding ten opzichte van zijn instrumenten, die hij overal liet rondslingeren en zeer slecht onderhield. Zijn sax uit de tijd bij Mamie Smith hing van elastiekjes aan elkaar en was het onderwerp van veel grappen. Later kocht hij weliswaar de beste Conn's, en hij speelde ook op het prestigieuze Franse merk SML (Strasser-Marigaux) maar hij bleef toch bijzonder nonchalant omgaan met zijn kostbare gereedschappen, waar ook nog eens zijn brood van afhing.

In 1935 ging Hawkins een contract aan met de Engelse bandleider Jack Hylton voor optredens niet alleen in Engeland, maar ook in Frankrijk. In Parijs, de bakermat van de saxofoon, bezocht hij de Selmer-fabrieken waar Maurice Selmer hem een speciaal voor hem een nieuwe 5-voudig vergulde 'balanced action' aanbood. Voor de rest van zijn leven zou Hawkins dat merk trouw blijven en wanneer een instrument werd gestolen (hetgeen door zijn slordigheid inderdaad een paar maal voorkwam) dan werd er meteen weer een Selmer (later een Mark VI) gekocht en deze drie- of viervoudig verguld.

Na lang op een metalen Otto Link-mondstuk gespeeld te hebben stapte hij tenslotte over op Berg Larsen met een vergrote opening en met steeds zwaardere rieten. In zijn apartementen had hij verder altijd een piano staan en in de zestiger jaren kocht hij ook nog een Steinway vleugel. Hij was een goed pianist en speelde veel klassiek. Zijn muzikale smaak was zeer gevarieerd en veel meer dan jazzopnamen had hij vooral platen van Chopin en Schumann tot Mahler en Strauss, maar Bach was waarschijnlijk zijn grootste favoriet en diens muziek hield hij ook altijd aan jonge musici als voorbeeld voor.

Intermezzo in Nederland

Het Hylton engagement hield ook een tournee door het toen al door de nazi's gedomineerde Duitsland in en daar waren zwarte musici allesbehalve welkom. Theo Uden Masman, de leider van het orkest de Ramblers, zag op dat moment zijn kans schoon en kwam met Jack Hylton overeen dat Hawkins een half jaar in Nederland kon spelen. Dank zij een actieve rol van de directeur van de Nederlandse Decca platenmaatschappij zijn daar gelukkig ook aardig wat opnamen van bewaard gebleven.Niet alleen met de Ramblers, maar ook met de al langer in Nederland wonende pianist Freddy Johnson.

Het was voor de vaderlandse jazz-liefhebbers een opwindende tijd, want tot 1939 zou Hawkins regelmatig in Nederland optreden (afgewisseld met Frankrijk, België en Zwitserland). Bovendien was in 1936 en '37 tevens altsaxofonist en arrangeur Benny Carter in ons land en tussen beide Amerikanen bestond een goede synergie. Uit de meeste opnamen komt een zeer zelfverzekerde Coleman Hawkins naar voren die zich bovendien zeer loyaal opstelde tegenover zijn gastheren, ook wanneer zijn begeleiders in kwaliteit bij hem achterbleven.

Het is boeiend om een grootheid als Hawkins verbonden te weten (en te horen) met namen als de Ramblers, van bassist Jac Pet en de drummers Kees Kranenburg en Maurice van Kleef (ook wel de Nederlandse Gene Krupa genoemd). Veel opnames werden gemaakt in Hamdorff te Laren en Pulchri Studio in Den Haag en dank zij mensen als Harry Coster en Herman Openneer en de archieven van de Hollandsche Decca Distributie kunnen we daar via het merk Panachord, dat deze opnamen opnieuw uitgeeft, nog steeds een beetje bij aanwezig zijn.

Body and Soul

Terug in de Verenigde Staten formeerde Coleman Hawkins een eigen orkest waarmee hij op 11 oktober 1939 een opname-sessie belegde. De aanwezige musici waren zeker competent maar klinken op de originele plaatopname niet erg geinspireerd. Totdat er een op het laatste moment toegevoegde ballad wordt gespeeld dat al zo'n tien jaar door diverse grootheden als Goodman, Armstrong en Chu Berry werd vertolkt: 'Body and Soul'. Op dat speciale moment slaat er een vonk over en staat de wereld even stil. En wordt een legende geboren...

Zelf nu - ruim zestig jaar later - en dat terwijl ik het nummer inmiddels vele honderden keren heb beluisterd, krijg ik tranen in mijn ogen wanneer ik het weer hoor. En daarin sta ik bepaald niet alleen, want de (h)erkenning van dit meesterwerk was vrijwel direct universeel en dit ook buiten de grenzen van de jazz. Dit terwijl juist sommige jazzmuzikanten zijn overgangen aanvankelijk als fout bestempelden, gewend als ook zij waren aan bepaalde conventies. Het kenmerk van waarlijk grote geesten is echter juist dat zij gewoon hun eigen regels weten te scheppen.

'Body and Soul' wordt inmiddels algemeen gezien als een hoogtepunt binnen de mainstreamjazz en laat Coleman Hawkins horen als de schepper van prachtige en unieke muziek. Er zijn ongeveer in dezelfde periode veel meer unieke opnames van hem gemaakt, zoals zijn 'It's the talk of the town' dat hij voor het eerst in 1933 nog met het orkest van Henderson maakte, het meeslepende 'Honeysuckle Rose' dat hij samen met Benny Carter in 1937 Parijs maakte, met o.a. Django Reinhardt op gitaar, Stéphane Grappelli op piano en Alix Combelle als mede-tenorist.

De oorlogsjaren

Ook bijzonder waren een viertal opnamen uit 1943 met een letterlijk adembenemend kwartet, met de sterke en heftig swingende bezetting van Eddie Heywood op piano, Oscar Pettiford op bas en Shelley Manne op drums. Vooral 'The Man I Love' laat zich horen als een onstuitbare arpeggio-exercitie op de onderliggende harmoniën. Het nummer 'Sweet Lorraine' uit dezelfde sessie laat horen hoezeer ditzelfe procedé bij een dergelijke ballad tot een prachtig sfeerstuk kan leiden dat voor mijn gevoel de vergelijking met 'Body and Soul' best aankan.

Dat geldt eveneens voor het nummer 'My Ideal', dat hij in 1944 met alleen pianist Art Tatum opnam. In datzelfde jaar werden ook een serie swingende opnamen voor Keynote gemaakt met zijn eigen quintet, met pianist Teddy Wilson en zijn oude vriend Roy Eldridge op trompet. Vooral met de laatste was in 1940 al een hechte band ontstaan, toen zij samen met altsaxofonist Benny Carter in de Chocolate Dandies samenspeelden. In dezelfde tijd formeerde Hawkins tal van orkesten met wisselende bezettingen die zich duidelijk onderscheiden van de gebruikelijke swingorkesten (maar wel degelijk swingden).

Bebop, enzo...

Inmiddels was er een nieuwe generatie jazzmuzikanten opgestaan die een heel andere visie ontwikkelden, die ten dele weliswaar de roots van de jazz erkenden maar daar een geheel andere invulling aan gaf. Met een razendsnell en nerveus tapijt van noten, maar daarbij, zeker in het geval van Charlie Parker, een emotionele lyriek, die echter niet door iedereen werd begrepen. Wel door Hawkins die vrijwel moeiteloos overschakelde naar deze bebop en daarbij comfortabel samenspeelde met 'modernisten' als Parker zelf, Fats Navarro, Thelonious Monk, Dizzie Gillespie en Max Roach.

Zelfs liet hij zich met de laatste horen in diens politieke statement 'Freedom Now Suite' waar het er voor mij even op leek dat hij met Roach' echtgenote, Abbey Lincoln, eenzelfde soort symbiose zou aangaan als Lester Young met Billie Holiday. Ook met andere stromingen en musici voelde hij zich echter thuis. Zoals hij ook met zijn aartsrivaal Lester Young (modernist avant la lettre) samenspeelde, trad hij even vanzelfsprekend op met vertegenwoordigers van de 'cool'-jazz zoals Gerry Mulligan, Stan Getz, Miles Davis en tenslotte zelfs met een nieuwe generatie saxofonisten als John Coltrane.

And after...

Zo omstreeks 1950 leek de verwarring echter toch toe te slaan bij de altijd zo zelfverzekerde Hawkins. De smaak van het publiek leek veranderd en zijn fundamenteel harmonische benadering van songs kreeg minder bijval dan de eindeloze modale reeksen van een Miles Davis en John Coltrane. The Hawk leek moegestreden, maar verandering van spijs doet eten. Hij trad toe tot het reizende muzikale circus van Norman Granz met zijn fameuze 'Jazz at the Philharmonic', waarbij heel uiteenlopende muzikanten tesamen op het podium werden geplaatst, met als gevolg vaak een spontane uitbarsting van synergie. Voor Coleman Hawkins de ideale werkomgeving.

Daarnaast waren er de, vaak eveneens door Granz georganiseerde, festivals zoals het meest beroemde in Newport. En in 1959 werd daar de zoveelste versie van 'Body and Soul' neergezet door de meester zelf die voor veel kenners geldt als beter dan het origineel. Zelf weet ik dat nog zo niet, maar het blijft een feit dat Hawkins in deze periode geweldige dingen heeft neergezet, zoals zijn prachtige solo's op albums als van Benny Carter's 'Further Definitions' en van Duke Ellington. Tegelijk klinkt er bij alle kracht die hij nog steeds ontwikkeld, een melancholie in door die je als luisteraar naar de keel grijpt.

Coda

Het raadsel en de vraag blijft overeind... Is een voortdurend scheppingsproces zo ondragelijk dat je daar tenslotte aan ten onder moet gaan? De levensloop van Coleman Hawkins geeft daar immers ook weer iets van aan. Een begaafde man die alles mee lijkt te hebben en die zich vanaf het moment dat hij zo'n hoge top wist te bereiken toch min of meer in een dodelijke neerwaartse spiraal begeeft. Al tijdens zijn Nederlandse jaren dronk hij zo'n twee liter sterke drank per dag. Het is een teken van zijn bijna bovenmenselijke kracht dat hij dit zolang heeft kunnen volhouden.

Vanaf zijn zestigste ging het echter steeds meer mis en temidden van zijn laatste relikwieën, zijn Steinway vleugel, zijn geluidsinstallatie en platen, ging hij zichzelf steeds meer verwaarlozen. Hij at nauwelijks meer en dronk alleen nog maar. Spelen deed hij geleund tegen een piano, omdat hij anders niet meer overeind bleef. Zijn kleren waren verkreukeld en zijn haren ongekamd, zijn ogen leeg en starend - dat is het beeld dat me van hem bijblijft uit een JATP-concert in 1968 in het Concertgebouw. Hij stierf een jaar later later, op 65-jarige leeftijd. Hawk, die geweldige en ongetemde havik, zou nooit meer vliegen...

Henk de Boer

Naar de index

Bijzondere opnamen

One Hour, Hello Lola (1929), met The Mound City Blue Blowers
Hierin zaten later bekend geworden muzikanten als Glenn Miller, Gene Krupa en Eddie Condon. Opvallend is het geluid van een gestopte trompet zoals dat door leider Red McKenzie heel knap met een kammetje-met-vloeitje werd voortgebracht.

It's the Talk of the Town (1933), met Fletcher Henderson and his Orchestra
De sfeer en toonzetting van mooie nostalgische ballad laat al iets horen van het latere succesnummer 'Body and Soul'. Toevallig was dit een van zijn laatste opnamen voordat hij naar Europa vertrok, waar 'Body and Soul' de eerste was bij zijn terugkomst in de US in 1939.

Honeysuckle Rose, Crazy Rhythm (1937)
Befaamde opnamen uit Parijs met Benny Carter op alt en trompet en als arrangeur van twee overdonderende stukken. De rest van de bezetting is Frans, waaronder Django Reinhardt op gitaar, Stéphane Grappelli op piano en de saxofonisten Alix Combelle en André Ekyan.

Body and Soul (1939)
Toen Hawkins net voor het uitbreken van de 2de Wereldoorlog in New York arriveerde formeerde hij een 8-man sterke gelegenhiedscombo en nam enkele nummers op in Kelly's Stables. Toevallig werd als vierde nummer 'Body and Soul' genoemd, dat regelmatig door Goodman werd gespeeld en dat een jaar eerder door Hawkins-adept Chu Berry een gerenommeerde uitvoering had gekregen. Het werd een magistrale en unieke improvisatie op het akkoordenschema dat luisteraars over de hele wereld emotioneel diep wist te raken...

Body and Soul (original)

The Man I Love, Sweet Lorraine (1943)
Een staaltje verbijsterend en swingend machtsvertoon van de hand van de meester met een dynamische trio-begeleiding die bestaat uit Eddie Heywood op piano, Oscar Pettiford op bas en Shelley Manne op drums.

I Only Have Eyes for You, I'm in the Mood for Love, Bean at the Met (1944)
Dwingende en zeer swingende uitvoeringen met o.a. Teddy Wilson op piano en Roy Eldridge op trompet.

Picasso (1948)
Befaamde solo-opname zonder verdere begeleiding.

Crazy Rhythm,  Honeysuckle Rose, Body and Soul, Blue Star (1961)
Indrukwekkend mooie arrangementen voor maar liefst vier saxofoons van de hand van Benny Carter uit het Impulse-album 'Further Defintions'. De eerste twee hadden hun wortels duidelijk al in de Parijse opnamen uit 1937. Body and Soul is een prachtige retake van de 1939-opname en de Carter-compositie Blue Star kent naast de roerende solo van Benny Carter een overrompelende intro door Coleman Hawkins.

Self Portrait of the Bean, Mood Indigo (1962), met het Duke Ellington orkest
De enige keer dat deze twee grootheden samen een opname maakten en met een geweldig resultaat. Hawkins voelt zich er duidelijk helemaal thuis en speelt met een relaxt soort superioriteit tegen een achtergrond van getalenteerde musici die hem hier als in een tribuut alle ruimte geven.

Naar de index

Mooie verzamel-cd's

Een deel van bovenstaande afzonderlijke opnamen is eveneens te vinden op de cd 'Ken Burns Jazz: Coleman Hawkins' (Verve, 2000). Dit is een spinoff van de sfeervolle en omvangrijke PBS-productie Ken Burns Jazz, welke in 12 afleveringen ook hier op de televisie werd getoond.

Een andere aanrader is de voordelige 4 cd-box 'The Bebop Years' van het Engelse Proper. In maar liefst 88 uitstekend gedocumenteerde opnamen passeren hier de productieve 40er jaren de revue, zoals die werden ingezet met 'Body and Soul' in 1939 en min of meer eindigend met de solo-performance 'Picasso'.

Minder gedetailleerd, maar over een groter tijdsverloop is 'A Retrospective 1929-1963' op RCA (1995), dat op 2 cd's 34 jaar aan opnamen op de toen belangrijke Victor-labels weergeeft. Dit omvat tevens de vroege klassiekers 'One Hour' en 'Hello Lola' en de originele 1939 sessie die 'Body and Soul' voortbracht.

De vorige compilatie blijkt nogal slecht verkrijgbaar te zijn en dat is beslist beter met 'The Body and Soul of the Saxophone' op ASV (2000). Een overzicht van 1929 tot 1948 in de vorm van 23 karakteristieke stukken op een enkele cd. Van de vroege opnamen met McKenzie tot 'Picasso'.

Op de website 'All About Jazz' verscheen een wat uitgebreider (Engelse) discografie over Hawkins met een vermelding van de 12 meest kenmerkende verzamelalbums, die, hoe kan het anders, elkaar ten dele overlappen.

Naar de index

Alle albums van Coleman Hawkins

Coleman Hawkins heeft in zijn bijna 50-jarige carrière enorm veel opnames gemaakt, vooral tijdens de 40er jaren. Van de oorspronkelijke 78-toerenplaten werden later voor een deel albums op lp's uitgebracht en daarvan werden weer een deel naar cd's geremasterd. In deze uitgebreide lijst is een poging tot inventarisatie van de uitgebrachte cd's, die echter zeker niet allemaal meer leverbaar zullen zijn.

 t e r u g