Technisch gezien is er een heleboel verschil tussen strijk- en (hout)blaasinstrumenten, maar er zijn voor mijn gevoel ook wel degelijk grote overeenkomsten. Zo bezitten beide instrumentgroepen een buitengewone expressiviteit en bestaan ze beiden ook uit een hele range van op elkaar aansluitende instrumenten die een enorm toongebied van heel hoog tot sublaag beslaan. De verschillen betreffen - behalve natuurlijk het uiterlijk - vooral het soort boventonen en daarmee ook de kenmerkende klankkleur.
Er zijn drie fundamenteel verschillende manieren om een snaar aan het trillen te krijgen: tokkelen, slaan en strijken. De eerste leidde onder andere tot luit, gitaar en clavecimbel, de tweede tot het hakkebord en uiteindelijk de piano, de derde tot de familie van de strijkinstrumenten, waaronder vedels, gamba's, violen, cello's en bassen. Wat betreft bouw lopen ze soms flink uiteen, maar ze hebben met elkaar gemeen dat de snaren met een van hars voorziene strijkstok aan het vibreren worden gebracht.

Al van ver onze jaartelling stamden uit Indië, Perzië en Arabische landen strijkinstrumenten met namen als de Ravanastron, Kemangeh en Rebab. Deze bezaten ook allemaal al een klankkast om het zachte snaargeluid te versterken. Vooral de laatste wordt beschouwd als een regelrechte voorloper van onze tegenwoordige strijkinstrumenten. Een latere ontwikkeling ervan werd bekend als de Rebec, met een bolle klankkast en drie, in kwinten gestemde, snaren.
In allerlei verschijningsvormen raakte omstreeks de Middeleeuwen de vedel wijd verspreid. Dit was een instrument met een vlak achterblad en een wisselend aantal snaren, hoewel tenslotte de viersnarige variant het meest voorkwam. Vanaf de 12e eeuw begint de vorm ook steeds meer op die van de huidige viool te lijken en ontstaat in plaats van een rond middengat ook een tweetal C-gaten die nog weer later tot de tegenwoordige f-gaten werden omgevormd.
Zo omstreeks 1500 ontstond de uitgebreide familie van de gamba's in heel uiteenlopende stemmingen en met vlakke achterkant. Het geluid was veel zachter dan we van onze hedendaagse violen kennen en men paste mede daarom vaak extra zogenaamde bourdonsnaren toe. De Viola d'Amore uit het midden van de 17e eeuw bezat zo 6 of 7 normale snaren en tot een dubbel aantal onder de hals vrijtrillende resonantiesnaren. Ook de Zuid-Duitse Baryton bezat zo'n groot aantal snaren.
Juist vanwege de zachte en romantische klank proberen tegenwoordig over de hele wereld mensen de belangstelling voor de verschillende gamba's weer op te wekken. Ten opzichte van het technisch raffinement dat bij de bouw van een moderne viool om de hoek komt kijken blijkt de gamba ook een stuk eenvoudiger te maken en zo zijn er talloze clubs die zelfbouwweken voor deze instrumenten organiseren. Een geweldig initiatief dat vanzelfsprekend tot een grote liefde voor het instrument leidt.
Vanuit enkele Italiaanse steden, met als bekendste Cremona en Brescia - waar befaamde instrumentbouwers als Stradivarius, Amati en Guarneri resideerden - begon omstreeks 1550 de zegetocht van de moderne viool. Dit is in al zijn schijnbare eenvoud toch een zeer geraffineerd en technisch hoogontwikkeld instrument dat alleen ambachtelijk en met groot vakmanschap gebouwd kan worden. Vrijwel alle onderdelen dienen daarbij zeer nauwkeurig op elkaar afgestemd te worden.
De houtsoorten, de exacte welving van zowel onder- als bovenblad, de plaatsing van de stapel (het stokje dat de verbinding tussen de twee bladen verzorgd en zo van grote invloed is op de resonantie) en tenslotte ook de afwerking met speciale vernissoorten, waarvan het verhaal gaat dat met name hieraan de beroemde violen van Stradivarius hun bijzondere kwaliteit ontleenden. Wat ze alle gemeen hebben zijn hun vier snaren die in kwinten zijn gestemd.
De gewone viool is min of meer de sopraan in de familie en komt verreweg het meeste voor. De altviool is een klein beetje groter en klinkt dientengevolge ook iets lager en warmer. Het instrument vervult in een orkest vooral een ondersteunende rol. De cello daarentegen is een heel stuk groter en wordt dan ook zittend bespeeld terwijl hij met een pensteun op de grond staat. De snaren klinken een oktaaf lager dan die van de altviool. Het is een prachtig warm klinkend en geliefd instrument, ook voor solospel. Een beroemde klassieke bespeler was Pablo Casals.
De contrabas is niet zo maar een erg grote viool, maar stamt in feite af van een ander lid van de familie der strijkinstrumenten, namelijk de viola da gamba. Deze 4-snarige grote broer is daarom eveneens in kwarten gestemd (E-A-D-G) en heeft normaal een omvang van ongeveer 3 oktaven. Door het toepassen van zogeheten flageoletten kan dat nog redelijk worden uitgebreid.
De toepassingen liggen eigenlijk in elk soort muziek. In de klassieke vooral als 'basso continuo' naast de celli, en verder in jazz, zigeuner- en andere volksmuziek. In de popmuziek wordt haar taak meestal overgenomen door een basgitaar. Buiten de klassieke muziek wordt een contrabas meestal geplukt in plaats van gestreken en daarmee vormt het naast een krachtig harmonie-instrument ook een sterke ondersteuning van het ritme.
Voor voor- en achterblad wordt net als bij de viool bij voorkeur een speciale vurenhoutsoort uit koudere streken toegepast. Deze heeft daardoor een dichte structuur en is door een zorgvuldig drogingsproces van 10 jaar weinig ontvankelijk voor scheurvorming. Het achterblad kan zowel vlak zijn als licht gebogen, dit laatste verkleint de kans op scheuren. De zijkanten bestaan over het algemeen uit essenhout dat door middel van stoom wordt gebogen.
Ook de kam en de hals is van essenhout, maar de op de laatste gelijmde toets is in verband met slijtage van het keiharde ebbenhout, evenals de zogenaamde kielhoutjes aan boven en onderkant van het bovenblad. Alle delen worden met ouderwetse beenderlijm verbonden - deze laat na verhitting makkelijk los in verband met reparaties. Niet verlijmd maar geklemd is de stapel, een houten stokje tussen boven- en onderblad om de trillingen door te geven.
In de klassieke muziek wordt de contrabas, net als de cello altijd gestreken, met als uitzondering soms wat maten pizzicatospel. Zo'n strijkstok lijkt een simpel ding, maar zowel fabricage als materiaal blijken toch erg belangrijk en zijn in handen van speciale strijkstokbouwers. Prijzen variëren van zo'n 100 tot 3000 euro of meer. Het haar is over het algemeen paardehaar en hars wordt gebruikt om dit voldoende stroef te maken.
In de jazz en volksmuziek daarentegen wordt de bas over het algemeen met de rechterhand 'geplukt'. Soms heel subtiel, maar ook wel met het nodige geweld - bass-slapping geheten. Dan laat men bijvoorbeeld de snaren juist tegen de toets aanslaan, hetgeen natuurlijk een extra ritmisch effect oplevert. Vaak heeft men nog wel een strijkstok in een leren holster aan de bas hangen, maar gebruikt wordt deze slechts zelden.
Er zijn echter wel degelijk jazzbassisten die zich als uitstekende strijkers lieten kennen. Bekende namen zijn bijvoorbeeld Oscar Pettiford (die trouwens ook een geweldige cellist was) en vooral Leroy 'Slam' Stewart. Zijn bijnaam kreeg hij door bij het plukken bass-slapping toe te passen. Maar hij kon echter ook heel goed strijken waarbij hij een oktaaf hoger meeneuriede - hij bezat een absoluut gehoor - en dat klonk fantastisch.
Een apart hoofdstuk wordt gevormd door de versterking die vooral bij jazzbassisten veelvuldig wordt toegepast. Hoewel het plaatsen van een klein microfoontje ook wel wordt toegepast loert daarbij het levensgrote gevaar van acoustische terugkoppeling, ofwel 'rondzingen'. Gebruikelijker is het aan de kam vastclippen van twee piëzo-elementjes die de trillingen rechtstreeks in een elektrisch signaaltje omzetten.
Een alternatief systeem is om onder elke snaar een gaatje in de kam te boren met ook daarin een klein piëzo-element. De versterking van het elektrische signaal wordt verzorgd door een speciale versterker annex luidspreker. Voor zaalgebruik kan deze dan weer worden doorgelust naar de P.A. installatie waarop ook de andere geluidsbronnen zijn aangesloten - solisten, zanger/zangeres, keyboard etc.
Ray Brown (1926 - 2002) was zonder twijfel de meest invloedrijke jazzbassist die een fabelachtige techniek paarde aan een heldere, swingende speelstijl die bij musici en publiek grote bewondering afdwong. Hij begon zijn carriere bij trompettist Dizzy Gillespie, werd de begeleider van zangeres Ella Fitzgerald (waarmee hij een tijdlang ook was getrouwd), en raakte jarenlang verbonden aan Norman Granz's Jazz at the Philharmonic.
Hij speelde met vrijwel iedere jazzgrootheid en maakte 15 jaar deel uit van het befaamde Oscar Peterson Trio in verder wisselende bezettingen. Samen met vibrafonist Milt Jackson en pianist John Lewis was hij mede-oprichter van het Modern Jazz Quartet, al werd de bas daar al snel overgenomen door Percy Heath. Zijn grote toon was uniek en is gelukkig bewaard gebleven op vele honderden albums. Hieronder een kort fragment van Ray Brown met pianist Monty Alexander en fluitist Sam Most.
| Ray Brown - There Is No Greater Love |
Antonio Stradivari - www.celloheaven.com/hill/index.htm
Over vernis - www.celloheaven.com/hill/seven.htm
Viool en cello - www.muziekindex.nl/p/frame/viool_cello.html
ThinkQuest pagina over de viool - http://library.thinkquest.org/27178/en/
Rikkers Gitaar & Contrabas - http://www.rikkersgitaarbouw.nl/contrabassen.php
Making a double bass - http://www.doublebassmaking.com/
Comprehensive Bass Method (Hein van de Geyn) - http://www.comprehensivebassmethod.com/
Startkabel 'Strijkinstrumenten' - http://strijkinstrumenten.startkabel.nl