Stembanden, of beter gezegd 'stemplooien', zijn in feite erg klein. Bij een man gemiddeld zo'n 2 cm lang en bij een vrouw slechts de helft daarvan. Twee, met verschillende slijmvlieslagen beklede spiertjes, die we zowel benutten bij het praten als bij het zingen. Gesitueerd in het strottenhoofd, vormen zij als het ware de motor van het stemgeluid met de luchttoevoer vanuit de longen als brandstof. De mond-, neus- en keelholte, samen met tong, lippen en gehemelte vormen aan acoustisch filter dat de klankkwaliteit verder ingrijpend beinvloed.
Ook spreken vereist in feite een zeer hoge mate van controle over alle genoemde elementen en het is daarom logisch te veronderstellen dat de meeste mensen dan ook wel kunnen zingen. Belangrijk daarbij is echter het begrip 'feedback', ofwel het muzikaal kunnen luisteren naar jezelf en eventueel corrigeren. En de stemplooien van de een zijn zeker die van een ander niet - op een ongeveer gelijke manier als er (ook goedgetrainde) hardlopers zijn die excelleren in de sprint en zij die het meer moeten hebben van een lange afstand zoals een marathon.
Je dient dus goed te onderzoeken wat je stem - ook na training - aankan. En daarbij is bepaald niet onbelangrijk wat jijzelf binnen die grenzen ermee wilt doen. Wat is het genre waarin je je thuisvoelt? Waarbij je als het ware kriebels in je buik voelt - waaraan je dan de energie moet ontlenen om ook al die vervelende stemoefeningen te doen. Om nog maar niet te spreken van het voortdurend moeten instuderen van nieuwe songs. Dat vergt immers een soort discipline die behoorlijk verschilt van een lekker weggalmen onder de douche of op een schoolfeestje.
'Oefening baart kunst', zegt men wel en dat gaat zeker op in de muziek. Er is vrijwel geen instrument dat geen intensieve studie vereist en je zangstem is daarop geen uitzondering. Bovendien kent deze, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een piano, geen duidelijke koppeling tussen een min of meer mechanische aktie en de daaruit voortkomende toon. Net als bij een viool betreft het een voortdurende feedback die daarmee dus ook een uitstekend muzikaal gehoor veronderstelt. Anders hoor je gewoon niet wanneer je (enigzins) vals zingt.
Daarbij zijn je stemplooien behoorlijk kwetsbaar en een verkeerd gebruik kan hier gemakkelijk tot allerlei problemen leiden. Reden om je bij een serieuze aanpak te wenden tot een goede docent(e), die behalve de techniche kant van je stemgebruik ook een goed begrip en oor heeft voor het genre waarin je je wilt ontplooien. Er is uiteindelijk een erg groot verschil tussen de klassieke coloratuur-sopraan die een voorgeschreven partij als van de 'Koningin van de Nacht' uit Mozart's Zauberflote vertolkt en een jazz-zangeres die een blues zingt.
Er wordt vaak over een borst- en een kopregister gesproken, hetgeen de suggestie wekt dat er sprake is van twee verschillende soorten stemopwekking. Dat is gewoon niet zo. Er is een enkele stem die echter twee trillingspatronen omvat, die we ter verduidelijking registers noemen, en daarom ook wel 'modaal' en 'falset'. Er is natuurlijk sprake van een overgang tussen die twee, die 'passage' wordt genoemd en die voor mannen en vrouwen - hoe verschilllend in toonhoogte ook - ongeveer op dezelfde plaats ligt. In het gebied van c' tot f', dus een omvang van een kwart in de buurt van de centrale 'C' op de piano.
Bij een omvang van drie oktaven ligt bij een man zo'n twee oktaven onder de passage en één erboven. Bij een vrouw is dat net andersom. Over het algemeen probeert men door oefening de verschillende registers naadloos op elkaar aan te laten sluiten, maar eenvoudiger is om je zingen binnen een enkel register te houden en dat zal meestal het modale register zijn. Al zullen klassieke zangeressen vooral in het falsetregister zingen, met een heel andere, herkenbare, klankkleur. Een duidelijke uitzondering is het 'jodelen' waarbij juist de overgang sterk wordt geaccentueerd.
Al eerder werd gesteld dat lucht de brandstof levert voor je stem, of beter gezegd, de energie. Zonder lucht geen geluid, zo simpel is het en datzelfde geldt natuurlijk ook voor alle blaasinstrumenten. Nu is ademhalen iets wat we vanaf het allereerste moment in ons leven (moeten) doen en het is daarmee ook een van de meest natuurlijke handelingen. Desondanks blijkt er vaak veel aan te verbeteren. Veel mensen blijken blijken oppervlakkig adem te halen en gebruiken daarmee slechts het bovenste deel van de longen, iets wat niet alleen inefficient is, maar ook ongezond.
Zangers halen over het algemeen adem door buik en middel uit te zetten, waardoor het middenrif omlaag gaat en er lucht in de longen kan stromen. Door dat middenrif ook bij het uitademen in een lage stand vast te houden ontstaat de zogenaamde ademsteun waarmee je een grotere controle over de luchtstroom verwerft. Ook bespelers van blaasinstrumenten werken met deze ademsteun. Meestal worden overigens tegelijk ook andere vormen van ademhaling toegepast, waaronder flankademhaling, waarbij de borstkas zijdelings uitzet, hetgeen minder spanning schijnt op te wekken.
De meeste muziekinstrumenten, ook de blaasinstrumenten, hebben een eigen kenmerkende klankkleur die voor een groot deel wordt bepaald door de vorm van de klankkast of -buis. Bij zingen kun je die klankkast echter ingrijpend wijzigen en daarmee dus ook de klankleur. Of je daarmee ook in een bepaalde stijl zal kunnen zingen is echter niet gezegd, want dat hangt van nog veel meer factoren af. En een tweede Maria Callas of Frank Sinatra is dan ook niet zo waarschijnlijk, al kom je met veel stemtraining soms een heel eind.
Dan kom je ook automatisch op het bijzonder uitgebreide gebied van de zangtechniek. Het probleem daarbij is dat er vaak een grote samenhang bestaat tussen allerlei zaken en dat je die dus ook in samenhang dient te oefenen. Dat kan eigenlijk alleen maar onder leiding van een goede zangdocent(e), zeker wanneer het meer klassieke zang betreft. Ook het gebruik van een microfoon - vrijwel onontbeerlijk bij pop en jazz - dient terdege geleerd te worden en veronderstelt tenslotte ook nog altijd het zuiver kunnen raken van de juiste noot.
Om verschillende redenen is de aanschaf van een eigen microfoon verstandig. Elke stem is nu eenmaal anders en de zoektocht naar een passende microfoon leert je heel veel over de karakteristieken en de grenzen ervan. De uitgekozen microfoon wordt zo ook onderdeel van hoe anderen jouw stem ervaren. Het geeft je verder de mogelijkheid om bij het oefenen tegelijk je microfoontechniek te trainen en bovendien opnames te maken die je bij het terugluisteren essentiële informatie verschaffen. Bovendien is er natuurlijk ook nog het hygiënische aspect.
Zodra je je echter gaat verdiepen in het aanbod van microfoons slaat zonder enige twijfel de verwarring toe. Er ontrolt zich immers een schier oneindige range aan modellen met nietszeggende typenummers en specificaties en zeer uiteenlopende prijzen en probeer daaruit maar eens een verantwoorde keuze maken? Bovendien, de ideale microfoon bestaat niet... het is eigenlijk vooral een kwestie van veel zoeken en uiteindelijk datgene vinden wat het beste bij je past. En bij die zoektocht is een duidelijke overzichtskaart natuurlijk een belangrijke leidraad...
Een microfoon is een apparaat dat acoustische energie omzet in elektrische - een omvormer, of in technische termen een 'transducer'. De werking is daarbij tegengesteld aan die van een luidspreker, die juist een elektrisch signaal omzet naar de acoustische trillingen die nu eenmaal de enige zijn die ons gehoorkan begrijpen. In praktische zin zijn alle microfoons daarbij te herleiden tot twee basistypen, 'dynamisch' en 'condensator'. De eerste lijkt inderdaad op een kleine luidspreker, waarbij een klein spoeltje binnen een magnetisch veld door je stem in beweging wordt gebracht.
Hierdoor wordt er een elektrisch stroompje opgewekt volgens het principe van een dynamo. Bij een condensatormicrofoon echter bewegen zich twee, op een korte afstand van elkaar bevindende, vlakke plaatjes (diafragma en backplate). Deze zijn van een elektrische spanning voorzien en door de beweging van het bovenste plaatje door de veranderde luchtdruk ontstaan er spanningsverschillen. Door de kleine massa van het diafragma (meestal een dun kunststofvlies met opgedampt goud) wordt zeer snel op veranderingen in luchtdruk gereageerd.
Dynamische microfoons vind je vooral op de podia en de condensatormicrofoons voornamelijk in de studio en dat heeft een goede reden die voor een belangrijk deel uit de technisch opzet en de constructie voortkomt. Dynamische microfoons zijn namelijk beslist een stuk robuuster dan hun condensator-zusters/broeders en zijn daarbij ook minder handgevoelig. Ze geven over het algemeen wel meer kleuring aan het geluid, maar dat kan bij een juiste keuze natuurlijk een pluspunt zijn. Tot voor kort waren ze bovendien aanmerkelijk goedkoper.
Condensatormicrofoons reageren sneller en directer op pulsgeluiden en bieden ook meer definitie in het hoog. Ze zijn dan ook een eerste keuze voor drums (cymbal) en andere instrumenten die het juist hiervan moeten hebben. Natuurlijk zijn ze ook voor zang in te zetten, maar ze zijn beslist minder vriendelijk voor kleine missers. Er ontbreekt als het ware het fluwelen laagje dat een goed gekozen dynamische microfoon kenmerkt. In de studio heeft men daarentegen meer behoefte aan een lineaire registratie en kan men achteraf het nodige in de klankleur wijzigen.
Het zou mooi zijn wanneer een microfoon het opgenomen geluid exact zou omzetten in elektrische stroom, maar dat zal in de praktijk nooit gebeuren. Er zal altijd een zekere mate van vervorming ontstaan, al zal men vooral bij de duurdere merkmicrofoons alles in het werk stellen om deze vervorming zo laag mogelijk te doen zijn. Dat wordt behalve door een goed uitgetest ontwerp bereikt door een nauwkeurige fabrikage en door het achteraf testen. Het is logisch dat de prijs een flink stuk hoger wordt wanneer maar een op de drie microfoons dan overblijft.
Nu hoeft een bepaalde afwijking niet persé verkeerd te zijn en wordt een microfoon vaak bewust van een warmere klankkleur voorzien. Hoe de verschillende frequenties precies worden weergegeven kun je aflezen uit iets dat de frequentie-karakteristiek heet, maar wanneer je niet redelijk deskundig bent zie je niet veel meer dan een kronkelig lijntje met veel getallen. Bovendien is het - behalve voor de heel dure - een standaard-karakteristiek voor een bepaald type microfoon en kunnen microfoons van een bepaald type onderling nog flink verschillen.
Een microfoon die naar alle richtingen even gevoelig is heet rondomgevoelig of 'omnidirectioneel'. Deze is als zangmicrofoon ongeschikt door de grote gevoeligheid voor rondzingen. Hiervoor komt een richtinggevoelige of 'unidirectionele' microfoon in aanmerking, waarbij we in principe weer drie verschillen zien: de nier-, supernier- en de hypernierkarakteristiek (cardoid, supercardoid en hypercardoid). De namen zijn ontleend aan de vorm van de meetdiagrammen, waarbij Amrikanen de niervorm als een hartvorm wensen te zien.
Alle zijn het meest gevoelig aan de voorkant en dan geleidelijk afnemend naar de zijkanten. Bij de laatstgenoemden is er ook een zekere gevoeligheid aan de achterkant. Bij condensatormicrofoons kun je soms door middel van een schakelaar tussen verschillende karakteristieken kiezen. In de studio worden nog typen met heel andere karakteristieken toegepast, vaak om door een bepaalde combinatie een zo goed mogelijk stereobeeld te krijgen, maar dat is in het kader van deze beschouwing verder niet van belang.
Microfoons reageren verschillend op de afstand tot je mond en dat kan nogal dramatisch zijn. Vooral bij dynamische microfoons is dat het geval en dient de afstand over het algemeen niet meer dan enkele centimeters of nog minder te zijn. Bij een grotere afstand wordt het geluid al snel erg dun. Dit heet het nabijheidseffect of 'proximity effect'. Het is niet bij elke microfoon hetzelfde en er zijn er ook waarbij een te kleine afstand al snel modderig en boemerig klinkt. Ook kunnen medeklinkers als p, b. d en t dan onaangenaam gaan 'ploppen'.
Ook sisklanken kunnen op kleine afstand zeer storend zijn, reden waarom men wel speciale acoustische filters inbouwt. Bij condensatormicrofoons is in principe het geluid wat transparanter omdat door de veel kleinere massa van het membraam sneller op kleine drukveranderingen kan worden gereageerd. De afstand heeft hier ook een minder groot effect op de klankkleur. Een en ander heeft ook hier alles te maken met de exacte constructie van het eigenlijke drukelement en van de gehele behuizing...
Nu zijn er nogal wat tegenstrijdige eisen die aan een goede zangmicrofoon gesteld worden. De al genoemde lage handgevoeligheid bijvoorbeeld, die het mogelijk moet maken met de microfoon in de hand te zingen zonder dat elke beweging van je hand uit de luidsprekers is te horen. Ook de gevoeligheid voor rondzingen moet zo laag mogelijk zijn, zodat je niet steeds heel angstvallig uit de buurt van de luidsprekers hoeft te blijven. Daarentegen dient de gevoeligheid voor je stem hoog te zijn... maar weer niet die voor de 'plop'medeklinkers.
Robuustheid is voor een 'stagemike' eveneens een belangrijke factor, zowel wat betreft het onverhoopt tegen de vlakte gaan als het bestand zijn tegen overbelasting door een extreme geluidsdruk. Hierbij hoort trouwens ook een degelijke verbinding met de aansluitkabel, waarbij in de praktijk alleen maar de zogeheten XLR-connector in aanmerking komt, samen met een voldoende dikke en kwalitatief hoogwaardige kabel. De 'impedantie', ofwel aansluitgevoeligheid dient laagohmig te zijn (150-300 Ohm) en tenslotte moet het ding goed in je hand liggen.
Hoewel zangmicrofoons over het algemeen een ingebouwd plopfilter bezitten, zie je ze soms ook uitgevoerd met een losse zacht kunststof bol. Hoewel dit inderdaad enigszins helpt is de functie daarvan echter vooral als windkap voor buitengebruik, dus om storend geruis door langsstromende wind te verminderen. Bij studiogebruik en dan speciaal bij de gevoeliger condensatormicrofoon zie je vaak een rond schermpje met nylongaas op korte afstand. Dit is wel als een echt plopfilter bedoeld en zorgt er tevens voor dat je op de juiste afstand van de microfoon blijft.
Vrijwel iedereen kent de Shure SM 58 of heeft daar in elk geval van gehoord. In zekere zin mag deze daarom gelden als de standaard-microfoon waartegen andere podium-microfoons worden afgezet. Is het daarmee ook de beste microfoon? Nou... nee, eigenlijk niet... maar hij bezit wel een combinatie van goede eigenschappen waaronder een opvallend stevige contructie en een goede vormgeving (zeg maar die van ijsje). De bas is enigszins geprononceerd, maar dat is voor de meeste stemmen wel plezierig en plop- en rondzinggevoeligheid is redelijk laag....
Trouwens heel erg laag kom je er niet mee - officiëel tot zo'n 50 Hz, maar in de praktijk is er onder de 80 Hz al een behoorlijke afval. Dat was ook een bewuste keuze toen de SM 58 in 1966 werd ontworpen, maar inmiddels is de ontwikkeling natuurlijk doorgegaan en probeert men de tegenstrijdige eisen van toen toch op een redelijke wijze met elkaar te verenigen. In hoeverre men daarin is geslaagd kun je voor deel misschien uit testrapporten aflezen, maar de ultieme test bestaat nog steeds uit een uitputtende persoonlijke praktijktest.
Veel fabrikanten zijn bezig geweest om een microfoon te bouwen die min of meer equivalent zou moeten zijn aan de SM 58, waaronder ook Shure zelf, die met de Beta 58A kwam. De weergave ervan is wat helderder en het volume iets hoger, met dientengevolge tevens een lagere gevoeligheid voor rondzingen. Helaas is de prijs ook aardig wat hoger... Waar de SM58 van 100 tot 130 euro kost (er wordt hier en daar flink mee gestunt) betaal je voor een Beta 58A 160 tot 210 euro.
Het Duitse Sennheiser kwam met de E835 (85-90 euro) en E845 (ca. 110 euro) die allebei een iets warmere klank produceren, maar wel enigszins ten koste van de helderheid. Ook het Oostenrijkse AKG streefde met de D3700 (ca. 125 euro) en vooral de D3800 (ca. 175 euro) de SM 58 beslist flink voorbij. Goede kwaliteit vind je daarnaast zeker ook bij Beyer, met bijvoorbeeld de Opus 69 en de M69 TG of M88 TG.
Wordt vervolgd...
'Een keten is zo sterk als haar zwakste schakel' wordt er terecht gezegd en dan kunt je nog zo'n goede microfoon toepassen, wanneer die niet aansluit op een installatie met eenzelfde kwaliteitsniveau dan schiet je er weinig mee op. Bovendien kun je een microfoon verkeerd aansluiten of het mengpaneel verkeerd instellen. Nu heb je als bezoekende zanger/zangeres over het algemeen weinig te kiezen wanneer je je microfoon aansluit op een bestaande PA-installatie, maar ook voor de thuissituatie is het goed om van een aantal zaken op de hoogte te zijn.
Het lijkt een wat overbodige luxe, zo'n eigen mengpaneel of mixer. Je kunt een microfoon toch ook direct op een versterker of computer aansluiten? Nou nee!... Zoals in de verhandeling over microfoons al is aangegeven is een enigszins professionele microfoon 'gebalanceerd' uitgevoerd. Dus met drie aansluitingen: twee 'hete' die ten opzichte van elkaar in tegenfase zijn en een nulfase, vaak (niet helemaal terecht) 'aarde' genoemd. Uiteindelijk dient hier weer een normaal signaal met twee aansluitingen van te worden gemaakt.
Hiervoor zorgt een mengpaneel - samen met de even belangrijke versterking van het zwakke microfoonsignaal. De kwaliteit van die microfoonvoorversterker is daarbij in hoge mate meebepalend voor die van de microfoon zelf. Een kwaliteit die zich bewijst in een vervormingsvrije, lineaere versterking zonder hoorbare toegevoegde ruis en andere ongerechtigheden. Bovendien zorgt een mengpaneel voor mogelijke effecten en de juiste aanpassingen aan de rest van de installatie of de computer.
Zie ook 'Je eigen digitale studio...'
Wordt vervolgd...